Geschiedenis 

Het Onze Lieve Vrouwe Gilde was van oorsprong een kerkelijke broederschap. Een broederschap kenmerkt zich door de aanwezigheid van een gezamenlijk doel, een centrale kas met verplichte bijdrage van elk lid, binding aan de religie, grote aandacht voor de afgestorvenen en regelmatige teermalen. Het Gilde is verbonden aan de kerk van Aarle. Van Aarle-Rixtel is Rixtel het oudste deel. De kerk van Rixtel wordt omstreeks 1173 vermeld terwijl het dorp Aarle op 4 december 1300 voor het eerst wordt genoemd. Dat in deze kerk al spoedig een broederschap van Onze Lieve Vrouw werd opgericht is op zich niet onwaarschijnlijk. De kerk van Aarle had in 1520 een altaar van Maria, Catharina en Barbera. In 1523 hadden zij een ander altaar: dat van Anthonius en Sebastiaan. Volgens een oud Gilderegelement van 1789 zou het Gilde te Aarle in 1528 door Karel V zijn bevoorrecht om te dienen tot verheerlijking, bescherming en waarborg der Processie van de  Moedermaagd te Aarle.

Caert

Een bijzonder belangrijk stuk voor ieder Gilde is toch wel de caert, een document dat we nu een stichtingsakte zouden noemen. Deze care wordt verleent door de grondheer die het Gilde erkent en bevestigt, terwijl het Gilde een verklaring van ondergeschiktheid aflegt. Meestal wordt ook het doel omschreven. In een aantal artikelen wordt vastlegt waaraan men zich heeft te houden: rechten en plichten van het Gilde tegenover de heer, het bestuur, de broederplichten en het onderlinge gedrag, financiele bepalingen (boeten, trouwgeld en doodschulden). Natuurlijk waren er ook allemaal regelingen met betrekking op het schieten, koningen, keizers, teerdagen, zielmissen, altaren, begraven, vaandel en trom.

Dit deel van de caert is nog steeds in het bezit van ons Gilde.

Heropleving

In 1948 waren er nog maar vier gildebroeders over. Enkele jonge mannen legden een nieuwe basis voor het Onze Lieve Vrouwegilde. Mede door toedoen van de stichting “Het Lieve Vrouwke van Aarle”, dat jaarlijks een rondgang maakte met het genadebeeldje van Onze Lieve Vrouw Zetel der Wijsheid, kwam een comité tot stand om het gilde te behouden. Dit comité bestond uit Jan Wich, secretaris van het Sint-Margarethagilde, rector Swinkels van het pensionaat Mariëngaarde en Noud van de Ven, leider bij de verkenners.

Er werd een vergadering belegt met het doel voldoende jonge mannen te interesseren voor toetreding tot het gilde. Op deze vergadering gaven 12 jonge kerels te kennen lid te willen worden. Met de oude garde, onder wie Cis van Schaik, de keizer, diens zoon Toon, Toon kween en Martien Collee werd een nieuwe start gemaakt. De bezittingen van het Gilde werden geïnventariseerd en werd er een nieuw Gildehuis gevonden, café van Eupen. Op 16 maart 1948 werd de eerste vergadering met oude en nieuwe leden van het Gilde gehouden. Besloten werd ook deel te nemen aan het Kringgildenfeest te gemert. De heer Vereiken uit Beek en Donk leidde de vendeliers op en Toontje van Schaik was en bleef de enigste tamboer. Het volgende wapenfeit was de deelname aan de Koningsfeesten te Amsterdam t.g.v. de Troonbestijging van Koningin Juliana. In juni kwam een nieuw lid het gilde versterken namelijk Jan van Dooren, hij zou later de nieuwe hoofdman worden.

Het eerste succes kwam op het landjuweel in Vught, waar de Gildebroeders allemaal waren voorzien van nieuwe uniformen. Ze krijgen hiervoor de eerste prijs en kregen daarom een schild van Prins Bernhard